Een smartwatch aan de pols blijkt effectiever dan traditionele ziekenhuiscontroles bij het opsporen van hartritmestoornissen na een ablatie-ingreep. Dat concluderen Britse onderzoekers, al roept de studie ook vragen op over de toegankelijkheid van dergelijke zorg.
Kan een Apple Watch van enkele honderden euro’s een rol spelen in de medische zorg na een complexe hartoperatie? Volgens een nieuwe studie van het prestigieuze St. Bartholomew’s Hospital in Londen wel degelijk. De resultaten, gepubliceerd in het Journal of the American College of Cardiology, suggereren dat continue monitoring met een smartwatch zowel patiënten als artsen beter helpt om hartritmestoornissen op te sporen na een ablatie-ingreep.
Wanneer het hart uit de maat blijft
Ablatie is een ingrijpende behandeling die artsen uitvoeren bij patiënten met hardnekkig atriumfibrilleren – een vorm van hartritmestoornis waarbij de boezems van het hart onregelmatig samentrekken. Tijdens de procedure wordt met een katheter hartweefsel weggebrand of bevroren op plekken die de stoornissen veroorzaken. De behandeling wordt pas overwogen als medicatie niet blijkt te werken.
Toch is succes geen garantie. Bij ongeveer de helft van de patiënten keren de ritmestoornissen terug, vaak onverwacht en op momenten dat ze niet in het ziekenhuis zijn. Dit leidt tot ongeplande spoedeisende hulpbezoeken en veroorzaakt begrijpelijke onzekerheid bij patiënten die niet weten wanneer – of óf – de problemen terugkeren. De vraag voor de Britse onderzoekers was of continue monitoring met draagbare technologie deze detectie kon versnellen en verbeteren.
Traditionele controles versus digitale monitoring
Voor hun onderzoek verdeelden de onderzoekers patiënten na een ablatie in twee groepen. De eerste groep volgde het standaardprotocol: geplande ziekenhuiscontroles na 3, 6 en 12 maanden. Ervaren patiënten in de tussentijd klachten, dan konden ze naar het ziekenhuis komen voor een elektrocardiogram (ECG) of een Holter-monitor krijgen – een draagbaar apparaat dat minstens 24 uur de hartactiviteit registreert.
De tweede groep kreeg een Apple Watch en moest dagelijks een ECG-meting uitvoeren via de smartwatch. Ook bij klachten of wanneer het horloge een onregelmatigheid detecteerde, moesten ze een meting doen. De resultaten werden op afstand door artsen beoordeeld – een vorm van telemedicine die de drempel voor medisch contact aanzienlijk verlaagt.
Sneller en vaker gedetecteerd
De resultaten laten een duidelijk verschil zien, al vereist de interpretatie enige nuance. De eerste 90 dagen na de operatie tellen niet mee in de studie – eventuele ritmestoornissen in die periode betekenen niet automatisch dat de ingreep heeft gefaald. Maar daarna bleek de Apple Watch-groep terugkerende stoornissen significant sneller vast te stellen: gemiddeld al na 116 dagen, tegenover 132 dagen bij de controlegroep.
Nog opvallender: de detectie gebeurde niet alleen sneller, maar ook véél vaker. Bij 52,9% van de smartwatch-gebruikers werd een terugkeer van de problemen vastgesteld, tegenover slechts 34,9% in de traditionele controlegroep.
Die grote discrepantie roept een interessante vraag op: waren er bij de Apple Watch-groep daadwerkelijk meer problemen, of detecteerde de traditionele aanpak simpelweg te weinig gevallen? Het antwoord ligt waarschijnlijk in de aard van atriumfibrilleren zelf. Deze ritmestoornissen kunnen plotseling optreden en binnen enkele uren weer verdwijnen – vaak nog voordat een patiënt een afspraak in het ziekenhuis kan maken. Met continue monitoring aan de pols kunnen zulke episodes direct worden vastgelegd.
Minder spoedeisende hulpbezoeken, ondanks meer detecties
Paradoxaal genoeg – en dit is misschien wel het meest veelbelovende resultaat – waren er in de Apple Watch-groep juist mínder ongeplande ziekenhuisopnames, ondanks het feit dat meer ritmestoornissen werden gedetecteerd. Dit suggereert dat patiënten en artsen beter konden anticiperen op problemen en gerichter konden handelen, in plaats van te reageren op acute situaties.
Het aantal extra ablatie-behandelingen was in beide groepen vergelijkbaar, wat erop wijst dat de smartwatch geen overbehandeling veroorzaakte – een bezwaar dat regelmatig wordt geuit bij het gebruik van consumer health tech.
Vragen over toegankelijkheid en kosten
De studie toont aan dat apparaten als de Apple Watch – en bij uitbreiding vergelijkbare smartwatches met ECG-functionaliteit – een legitieme rol kunnen spelen in de medische zorg na hartoperaties. Voor het zorgsysteem betekent dit potentieel minder druk op poliklinische afdelingen en spoedeisende hulp. Voor patiënten betekent het meer inzicht en controle over hun eigen gezondheid.
Toch blijven er vragen. Een Apple Watch met ECG-functie kost enkele honderden euro’s – een bedrag dat niet iedereen zich kan veroorloven. De studie zegt niets over de sociaaleconomische samenstelling van de deelnemers, maar het is aannemelijk dat niet alle hartpatiënten toegang hebben tot dergelijke technologie. Zou deze vorm van monitoring beschikbaar moeten worden gesteld via de reguliere zorgverzekering? En wat betekent het voor de toegankelijkheid van kwalitatieve nazorg als die steeds afhankelijker wordt van dure consumententechnologie?
Bovendien vereist het gebruik van een smartwatch voor medische doeleinden een zekere mate van digitale geletterdheid. Oudere patiënten – die juist een groter risico lopen op hartritmestoornissen – hebben mogelijk meer moeite met de dagelijkse metingen en het interpreteren van meldingen.
De toekomst van zelfmonitoring
Deze studie past in een bredere trend waarin consumententechnologie een steeds grotere rol speelt in de gezondheidszorg. Van bloedsuikermonitoring voor diabetici tot slaaptracking en zuurstofmetingen – de grens tussen lifestyle-gadget en medisch hulpmiddel vervaagt.
Voor fabrikanten als Apple is dit een welkome bevestiging van hun gezondheidsambitie. Voor het zorgsysteem betekent het een zoektocht naar het juiste evenwicht: hoe kan deze technologie optimaal worden ingezet zonder bestaande ongelijkheden in de toegang tot zorg te vergroten?
Wat de studie wel overtuigend aantoont, is dat continue monitoring met draagbare technologie een waardevolle aanvulling kan zijn op traditionele nazorg – mits goed geïmplementeerd en toegankelijk voor alle patiënten die er baat bij zouden kunnen hebben.








