Nvidia mag voortaan krachtigere H200-GPU’s aan Chinese bedrijven leveren, maar moet daarvoor wel een kwart van de omzet afstaan aan de Amerikaanse overheid. De deal roept meer vragen op dan ze beantwoordt.
In een zoveelste draai in het Amerikaanse technologiebeleid tegenover China heeft president Trump Nvidia toestemming gegeven om zijn H200-GPU’s aan Chinese bedrijven te leveren. De chipgigant mag daarmee voor het eerst sinds de aangescherpte exportbeperkingen weer krachtigere AI-chips naar het land exporteren – zij het tegen een forse prijs.
Trump maakte de deal maandag 8 december bekend via zijn eigen sociale medium Truth Social, het platform dat hij bij voorkeur gebruikt voor dergelijke aankondigingen. De overeenkomst lijkt op het eerste gezicht een versoepeling van het restrictieve beleid dat de afgelopen jaren het technologische landschap tussen beide grootmachten heeft bepaald. Maar de details laten zien dat van vrijhandel geen sprake is.
Een kwart van de omzet naar Washington
Het meest opvallende aspect van de deal is financieel: Nvidia moet 25 procent van zijn omzet uit GPU-verkopen aan China afdragen aan de Amerikaanse overheid. Dat is een aanzienlijke hap uit de winst, zeker voor een bedrijf dat juist door de AI-explosie torenhoge marges kent op zijn chips.
Ter vergelijking: in augustus werd nog gesproken over een exporttarief van 15 procent, maar dat bleek kennelijk onvoldoende voor Trump. De verhoging naar 25 procent suggereert dat de deal vooral is vormgegeven vanuit het perspectief van de Amerikaanse schatkist, niet zozeer vanuit technologische of strategische overwegingen.
Voor Nvidia is het een bittere pil. Het bedrijf verloor na eerdere exportbeperkingen een enorme afzetmarkt in China, een van ’s werelds grootste consumenten van AI-hardware. Chinese concurrenten sprongen gretig in het gat, en lokale alternatieven wonnen terrein. Met deze deal krijgt Nvidia weliswaar weer toegang, maar de vraag is of Chinese bedrijven bereid zijn substantieel meer te betalen voor chips die elders goedkoper verkrijgbaar zijn – of die ze inmiddels zelf kunnen produceren.
Exportvergunningen: controle blijft centraal
Ook al is de deal gesloten, Nvidia mag niet zomaar aan elk Chinees bedrijf leveren. Voor elke export is een vergunning van de Amerikaanse overheid vereist. Dat betekent dat Washington per transactie kan bepalen welke Chinese partijen wel en niet in aanmerking komen.
Dit mechanisme geeft de VS aanzienlijke controlemacht. Het voorkomt dat Chinese bedrijven met banden tot het leger of de inlichtingendiensten toegang krijgen tot geavanceerde AI-technologie, maar creëert ook een bureaucratisch proces dat de handel vertraagt en onvoorspelbaar maakt. Voor Chinese bedrijven die afhankelijk zijn van betrouwbare toeleveringsketens is dit geen ideaal scenario.
Het roept ook de vraag op hoe pragmatisch deze constructie in de praktijk zal blijken. Zal elke aanvraag grondig worden beoordeeld, of wordt het een semi-automatisch proces dat vooral als politiek pressiemiddel dient? En belangrijker nog: hoeveel Chinese bedrijven zullen überhaupt interesse tonen als ze weten dat hun aankopen onder voortdurend politiek toezicht staan?
H200: krachtig, maar niet topklasse
De H200-GPU’s die Nvidia nu mag leveren zijn weliswaar krachtiger dan wat het bedrijf recent aan China mocht verkopen, maar het zijn zeker niet Nvidia’s meest geavanceerde chips. Die titel gaat naar de Blackwell-generatie, die vooralsnog exclusief blijft voor Amerikaanse klanten en hun bondgenoten.
Eerder had Trump Nvidia al toestemming gegeven om H20-chips te leveren, een aangepaste en bewust afgezwakte versie van de H100-GPU. De H200 zit daar een stap boven, maar blijft duidelijk onder het topniveau dat Amerikaanse AI-bedrijven tot hun beschikking hebben. Het is een zorgvuldig afgewogen middenweg: krachtig genoeg om interessant te zijn voor Chinese afnemers, maar niet zo krachtig dat het de technologische voorsprong van de VS in gevaar brengt.
Althans, dat is het idee. In de praktijk is de vraag of deze strategie werkt. China investeert massaal in eigen chipproductie, en hoewel het nog achterloopt op het Westen, sluit die kloof gestaag. Elke beperking die de VS oplegt, versnelt de Chinese drang naar zelfvoorzienendheid. Of deze gecontroleerde toegang tot middenklasse-chips die ontwikkeling afremt of juist stimuleert, is een open vraag.
Wiens belang wordt hier gediend?
De deal roept een fundamentele vraag op: in wiens voordeel werkt dit eigenlijk? Voor Nvidia is het hooguit een gedeeltelijke overwinning – toegang tot een markt, maar tegen hoge kosten en met veel onzekerheid. Voor Chinese bedrijven is het een optie, maar geen aantrekkelijke: duurdere chips met politieke risico’s en technische beperkingen.
Voor de Amerikaanse overheid lijkt het vooral een inkomstenbron en een manier om controle te behouden over de technologische balans met China. Maar of die controle effectief is, hangt af van factoren die buiten Washingtons directe invloedssfeer liggen: de snelheid waarmee China zijn eigen alternatieven ontwikkelt, de bereidheid van Chinese bedrijven om afhankelijk te blijven van Amerikaanse leveranciers, en de stabiliteit van een politiek klimaat waarin deals van de ene op de andere dag kunnen veranderen.
De aankondiging past in een breder patroon van transactioneel buitenlands beleid onder Trump, waarbij technologie-export steeds vaker wordt ingezet als onderhandelingsinstrument en inkomstenbron. Of dat een duurzame strategie is voor de Amerikaanse tech-industrie – of voor de internationale technologische verhoudingen – blijft te bezien.
Vooralsnog lijkt de deal vooral één ding te illustreren: in de mondiale AI-race zijn er geen simpele oplossingen, alleen ingewikkelde compromissen waarbij niemand helemaal krijgt wat hij wil.




