Een televisie vertegenwoordigt een flinke investering en je wilt natuurlijk dat zo’n apparaat jaren meegaat. Welk type het beste scoort op betrouwbaarheid, toonde recent onderzoek aan.
Oled presteert beter dan verwacht
Oled-tv’s genoten lange tijd een uitstekende reputatie op het gebied van beeldkwaliteit, maar juist niet wat betreft levensduur. Die reputatie lijkt onterecht volgens stresstests van Rtings (via T3). De website testte 102 televisies van diverse merken en prijsklassen gedurende een versnelde gebruiksduur van 18.000 uur. Dat komt overeen met vier uur televisiekijken per dag gedurende twaalf jaar.
De tests toonden onder andere aan dat de faalcurve relatief geleidelijk oploopt tot deze tussen de 8.000 en 10.000 uur flink stijgt. Twintig tv’s gaven zelfs volledig de geest. Daarnaast kwamen snelle defecten nauwelijks voor, omdat de geteste toestellen al gebruikt waren voor reviews.
Positieve bevindingen
Dat er pas na ongeveer 10.000 uur wezenlijk meer problemen ontstaan, is eigenlijk positief nieuws. Dit betekent dat veel televisies probleemloos tien jaar normaal gebruik aankunnen. Opvallend is wel dat een defect bij de meeste van die 20 toestellen meteen het definitieve einde betekende. Deze apparaten blijken niet ontworpen om eenvoudig gerepareerd te worden.
Andere tv’s vielen dan wel niet volledig uit, maar kregen problemen die ze in de praktijk onbruikbaar maakten. Denk aan defecte pixels of verbleekte kleuren. De oorzaken van storingen waren vaak te vinden bij het backlight, de elektronica of de stroomvoorziening. LG en TCL presteerden uitstekend, met weinig grote defecten.
Schermtechnologie maakt het verschil
Nog relevanter is welk type televisie je het beste aanschaft. Enerzijds zijn er lcd-schermen. Die gebruiken achtergrondverlichting en sturen dat licht door een kleurfilter van vloeibare kristallen. Die backlight kan over het volledige scherm verdeeld zijn. Dan heb je direct achtergrondlicht zonder lokale dimzones of een duurdere Full Array-tv. Die laatste beschikt wel over die essentiële dimzones en kost dus meer. Daarnaast zijn er leds die alleen in de randen (boven en/of onder, eventueel ook aan de zijkanten) zitten, met of zonder lokale dimzones. Die dimzones zijn cruciaal om echt zwart te verkrijgen en het bloomingeffect te vermijden.
Opvallend in deze test is dat tv’s zonder dimzones meer problemen opleverden. Dit zijn dus de goedkopere modellen. Ook bleek dat dunne televisies met edge-lighting sneller defect raken. Vaak zijn de ledlampjes dan in serie geschakeld. Als er eentje uitvalt, gaat de hele lijn of kolom aan leds mee. Zo ontstaan strepen in je beeld die geen kleuren meer weergeven. Soms kan zelfs de hele tv hierdoor uitvallen.
Duurdere tv’s met Full Array-backlight gingen doorgaans langer mee, maar ook hier zorgden relatief kleine oorzaken voor grotere problemen. Als enkele zones het begaven, was een complete zone zwart.
Verrassend was hoe uitstekend de oled-modellen presteerden. Een oled-scherm heeft geen backlight. Elke pixel straalt zelf licht uit en kan uitschakelen voor echt zwart. Deze schermen ondervonden het minste problemen. Twee ervan hadden een storing bij de stroomvoorziening, maar dat was relatief eenvoudig te verhelpen. Zoals bekend kan een beeld dat lang blijft staan inbranden in het scherm, maar bij afwisselend gebruik is dat nooit relevant.
Schermtype belangrijker dan prijs
Prijs en merk spelen minder een rol dan schermtechnologie, blijkt uit deze test. Vooral dunne led-tv’s met achtergrondverlichting vanuit de randen (edge-lit) gingen sneller kapot. Bij een led-tv kies je dus beter voor Full Array-types, met meer leds over de volledige achterkant van het paneel. Kun je meer uitgeven, dan is oled blijkbaar een veilige keuze.








